|
De tempel
|
|
Op een warme, zonnige, dag liep Zoemei, een mooie jonge vrouw, door het bos.
Ze was op zoek naar de bron van liefde en geluk. Ooit wist ze precies waar ze die kon vinden, maar ze was hem kwijtgeraakt.
Ze had geen idee waar ze hem zoeken moest en bedacht dat de beste weg om daar achter te komen was: simpelweg vragen.
In de hoop iemand tegen te komen die het weten kon ging ze, vol vertrouwen, op weg.
Haar intuïtie leidde haar naar het bos. Een mooi groot bos, met heerlijke geuren, prachtige bloemen en vlinders en zachte vogelgeluiden.
De eerste figuur die ze tegenkwam, was mevrouw eekhoorn. Even aarzelde ze, maar zei toen toch: “goedemorgen mevrouw eekhoorn. Ik ben Zoemei en volgens mij ligt hier in de buurt de bron van liefde en geluk. Kunt u mij de weg wijzen?”
“Ah, zei mevrouw eekhoorn. De bron van liefde en geluk, hè. Laat me even nadenken, zei ze terwijl ze doorging met het sorteren van haar voorraadkast. Ja, Zoemei, velen zijn je al voorgegaan. Hij is vlakbij, maar je zult hem zelf moeten vinden…
“Dank je wel”, zei Zoemei en ging vol goede moed verder.
In een hoge boom zat meneer de uil. Ze riep naar boven: “goedemorgen wijze uil”, mijn naam is Zoemei en volgens mij ligt hier in de buurt de bron van liefde en geluk. Kunt u mij de weg wijzen?”
“Ah, zei de uil. Hij verzette zijn bril wat en keek haar doordringend aan. De bron van liefde en geluk, hè. Ja, Zoemei, velen zijn je al voorgegaan. Hij is vlakbij, maar je zult hem zelf moeten vinden…
“Dank je wel, wijze uil”, zei Zoemei en ging vol goede moed verder.
Toen kwam ze de haas tegen. Ze zei: “goedemorgen haas”, “Mijn naam is Zoemei en volgens mij ligt hier in de buurt de bron van liefde en geluk. Kunt u mij de weg wijzen?”
“Ah, zei de haas. Ik heb weinig tijd, maar laat me even denken. De bron van liefde en geluk, hè. Ja, velen zijn je al voorgegaan. Hij is vlakbij, maar je zult hem zelf moeten vinden…En weg was hij.
“Dank je wel”, riep Zoemei hem nog na en liep verder.
Het werd steeds warmer en later en ze voelde hoe vermoeid ze raakte. Hoe moest dat nu? Iedereen gaf haar antwoord, maar niemand zei wat ze wilde horen.….
De moed begon haar in de schoenen te zinken. Hoe kon ze nu ooit de bron vinden zonder hulp? O, gelukkig, daar liep weer iemand. Meneer de schildpad. Misschien zou die???
Ze zei: “goedemiddag meneer schildpad”, mijn naam is Zoemei, “ik heb gehoord dat hier in de buurt een bron van liefde en geluk ligt. Kunt u me de weg wijzen?”
“Ah, zei meneer schildpad. De bron van liefde en geluk, hè. Laat me eens even heel rustig nadenken… Hij zette zijn kleine pootje onder zijn kinnetje en was heel stil. Zoemei ging er bij zitten, want ze was zo moe. Toen zei de schildpad: “Ja, Zoemei, velen zijn je al voorgegaan. Hij is vlakbij, maar je zult hem zelf moeten vinden…
“Dank u wel, mijnheer de schildpad”, zei Zoemei teleurgesteld en net toen ze de moed op wilde geven, kwam ze Kleika tegen.
Kleika was een klein, jong katertje, vol vuur en levensvreugd. Altijd in voor alles wat te onderzoeken viel.
Hij kwam naar haar toe met zijn grappige “Kleika sprongetjes” en begroette haar vriendelijk.
“Hoi”, zei hij. “Ik ben Kleika. Wie ben jij? En wat doe jij hier?”
Zoemei vertelde wie ze was en waar ze naar op zoek was.
“O”, zei Kleika, “ik denk dat ik wel iemand weet die jou dat vertellen kan. Ik heb een hele wijze meester waar ik iedere dag naar toe ga om van het leven te leren. Hij heet Wijka en is de wijste kater van de hele wereld.Weet je hoe dat komt? Omdat hij alles weet….Als je wilt, breng ik je wel naar hem toe”.
Zoemei keek in zijn stralende oogjes en het was net alsof haar moedeloosheid en vermoeidheid in één klap een heel stuk minder werden. Ze liep achter hem aan, terwijl hij haar enthousiast zijn nieuwst uitgevonden sprongetjes liet zien. Hoe vind je dat, Zoemei? Kijk!!.”
“Bijzonder”, zei Zoemei, “en knap dat je dat kunt!”
Al lopend en springend kwamen ze uit op een plek waar een grote eik stond. Een hele grote oude eik. Naast deze eik stond een boomstronk, zo groot en glad als een tafel. Daarop lag een grote zwarte kater, diep in ruste.
“Hij slaapt, fluisterde Kleika. “Ja, dat zie ik”, fluisterde Zoemei terug. “Kijk”, ging Kleika door, “hier staat een belletje. Als je heel zachtjes belt, wordt hij misschien wel wakker”.
Zoemei vond het niet echt plezierig, maar met katers weet je het nooit. Misschien zou het nog uren duren voor hij wakker zou worden.
Ze pakte het kattebelletje en maakte een zacht geluid.
Toen iets harder en daarna nog iets. Na verloop van tijd ging er voorzichtig één oog open. En weer dicht… Toen ging het nog eens open en jawel hoor, even later kwam er beweging in het mooie soepele lichaam. Hij rekte zich uit, ene kant, andere kant en kwam uiteindelijk in zithouding terecht.
Hij keek Kleika en Zoemei onderzoekend aan. “Goedemiddag”, zei hij, “wat brengt jullie hier?”
“Nou”, zei Kleika, “ik heb haar bij u gebracht omdat u alles weet en zij nog niet”.
“O”, zei Wijka. “En wie is zij?” Hij wendde zich tot Zoemei.
“Goedemiddag, Wijka, ik ben Zoemei en ben op zoek naar de bron van liefde en geluk. Iedereen zegt dat hij heel dichtbij is, maar dat ik hem zelf moet zoeken. Dat wil ik wel, maar ik ben zo moe en weet niet waar ik moet zoeken. Kunt u mij helpen?”
“De bron van liefde en geluk hè. Ja, Zoemei, velen zijn je al voorgegaan en velen hebben hem gevonden.
Kom maar eens zitten hier en leg je rugzakje op tafel. Je zult wel moe zijn van al dat gesjouw”.
Ze besefte dat ze eigenlijk niet eens gemerkt had dat ze een rugzakje om had. Pas toen ze het op zijn advies aflegde, voelde ze een enorme bevrijding. Wát een last viel van haar af.
“Ja, zo’n rugzakje kan zwaar zijn”, zei Wijka. Als we jong zijn is het nog leeg, dan voelen we het niet. Maar naarmate we ouder worden, wordt het steeds zwaarder.
Dingen waar we geen raad mee weten, gooien we daar in en vaak vergeten we ze daarna. Of we willen ze er niet meer uithalen.
Wat we niet beseffen is hoeveel gewicht dat alles heeft. En omdat het zo geleidelijk gaat, hebben we er geen erg in hoe vol het zakje is geworden. Tot het moment dat het té vol wordt… Dan raken we oververmoeid, lusteloos of ziek.
Dat is het moment waarop ons lichaam zegt dat het tijd is om uit te gaan pakken, want zij kán en wíl het niet langer dragen.
En als we luisteren naar ons lichaam en dat doen, blijken uit het rugzakje allemaal belangrijke delen van jou te komen. Delen, die eigenlijk thuishoren in jouw innerlijke tempel.
“Innerlijke tempel?” vroeg Zoemei
“Ja”, zei Wijka. “Stel je je innerlijke zelf maar eens voor als een tempel, met vele etages, gangen en trappen.
Als je nog klein bent is alles er nog mooi en gaaf. Je kunt gemakkelijk in en uit lopen en zonder probleem de kamer bereiken, die in het hart van de tempel ligt.
In Oude Egyptische tempels noemen ze dat het Heilige der Heiligen.
Voor jou, Zoemei, is dat de bron van liefde en geluk…
In de loop van je leven gebeurt er veel daarbinnen. Goede mooie dingen, maar ook worden beschadigingen in de tempel aangebracht. Soms kleine, soms grote. Soms worden gaten geslagen in muren en er kan zoveel puin in de gangen liggen, dat je er nauwelijks meer doorheen kunt.
Dat kan heel heftig zijn.
Op de momenten van die vernielingen ben je niet in staat daar iets tegen te doen. Het overkomt je. En om er niet mee geconfronteerd te hoeven worden sluit je de desbetreffende gang of trap af, zodat je het niet kunt meer kunt zien.
De bijbehorende ballast, die deze ellende allemaal veroorzaakt heeft, stop je in je rugzakje. Zo heb je er tenminste geen last meer van. Denk je. En op dat moment is dat ook zo.
Het afsluiten van de gangen en trappen lijkt aanvankelijk niet zo erg, omdat er andere wegen zijn die naar je bron leiden.
Tot er zóveel gebeurd is, dat alle wegen afgesloten zijn.
Dan is de tijd gekomen om orde op zaken te gaan stellen. Om grote schoonmaak te houden en alle beschadigingen weer te repareren.
Wat hierbij van groot belang is, is het besef dat de ballast in je rugzakje het reparatiemateriaal is om je tempel weer in orde te maken.
Wanneer je dat beseft, kun je beginnen met de grote schoonmaak en de reparaties.
Het kan een wat zware weg zijn, Zoemei, maar uiteindelijk een hele mooie. Dus als je het wilt, kun je de weg naar bron terugvinden.
Begrijp je nu waarom iedereen zei dat hij niet ver weg was en dat je hem zelf moest vinden?”
“Ja, Wijka. Het klinkt heel mooi. Maar wat bedoel je nu precies met die reparatiematerialen?”
Wijka keek haar aan. Hij zei: “Het is symbolisch bedoeld, Zoemei. Zie het maar als een hoeveelheid pakketjes die in je rugzakje zitten.. Pakketjes vol emoties… Emoties, die behoren bij de beschadigingen waar ik het over had. Gevoelens van pijn, verdriet, boosheid, woede, machteloosheid, angst. Gevoelens die je niet aankon toen de beschadigingen werden aangebracht en daarom wegstopte in je rugzakje. Maar het zijn wel delen van jou, van jouw innerlijke tempel. Daarom heb je ze ook bewaard en niet weggegooid…
Wanneer je ze kunt verwerken, aanvaarden, accepteren en respecteren, dan kun je ze de plaats geven waar ze thuishoren. De plaats waar nú gaten of de beschadigingen zitten.
En als alles weer een plaats heeft gekregen en je hebt alle puin en rommel opgeruimd, dan is je innerlijke tempel weer heel. Dan ligt de weg open naar het zuiverste deel van je eigen tempel naar je eigenlijke zelf.
Daarna zal je rugzakje weer licht aanvoelen en ben je je er van dat moment af aan meer van bewust geworden dat je hem draagt, zodat je ervoor zult zorgen dat het niet zo vol meer raakt”.
“Mooi”, zei Zoemei. Heel mooi En kan ik dat nú doen, denk je?” vroeg Zoemei.
“Ja. Maar dan moet je wel door de pakketjes heen durven en willen gaan”.
“Hoe kan ik daar nou doorheen gaan, Wijka ? Als pakketjes in een rugzakje passen zijn het toch hele kleine pakketjes?”
Wijka glimlachte. “Ik zei al dat het symbolische pakketjes zijn, Zoemei. Stel je maar voor dat je ze in je rugzakje heel klein gemaakt hebt, opdat ze zouden passen en wanneer ze er uit komen kun je ze zo groot maken als je wilt. Zo groot, dat je er helemaal in kunt zitten en doorheen kunt lopen. Zo, van het ene pakket naar het andere.
En als je overal doorheen gegaan bent, alles doorvoeld hebt, begrepen en geaccepteerd, dan zul je merken dat je precies weet op welke plaats ze thuis horen.
Dan kan je herstelwerk beginnen.
Als je het wilt, kan ik je begeleiden”.
Zoemei was erg onder de indruk van zijn verhaal en wilde dit graag.
Toch vroeg ze nog even: “En als ik het te eng vind om door sommige pakketjes heen te gaan?
Als ik er echt niet nog eens doorheen wil?
“Dan kunnen we dat op een andere manier oplossen. Maak je maar geen zorgen. En je eigen onderbewuste weet precies wat je aankunt en wat niet…”
“Oké…Dank je, Wijka.
Kleika sprong in het rond en maakte zijn gekke capriolen. “Goed hè!” riep hij, klopte wat ik zei, hè, Zoemei?”
“Ja, je had gelijk. Dank je wel, Kleika”, zei Zoemei. “Dat was een goede raad van jou”.
“Ja, hè, zóveel heb ik al geleerd van hem”, zei hij terwijl hij zijn kleine pootjes zo ver mogelijk uit elkaar spreidde om te laten zien hoeveel. “Maar nu ga ik gauw, ik moet nog een heleboel oefenen. Want weet je, Zoemei, ik ga de allergrootste en alleringewikkeldste Kleika- sprong van de hele wereld maken! Want Wijka zegt dat als je er maar in gelooft, je veel meer kunt dan je denkt. Nou en dat geloof ik best. Dag!!!”
En weg was hij. In de verte zwaaide hij nog met zijn staartje en de rust was weergekeerd.
Wijka en Zoemei keken elkaar aan en glimlachten om de kleine, veelbelovende Kleika.
Zoemei begon haar rugzakje uit te pakken. Haar reis kon beginnen…
|
